Boeddhisme

Het boeddhisme is een levensbeschouwelijke en religieuze stroming die volgens de overlevering werd gesticht door Gautama Boeddha, de “historische Boeddha”, die volgens de overlevering in de 6e en 5e eeuw v.Chr. in het noorden van India leefde. Boeddhisme ontstond uit en als reactie op stromingen binnen het vroege hindoeïsme. Boeddhisten geloven dat men bevrijd kan worden uit de cirkel van wedergeboortes door het volgen van de door de Boeddha onderwezen “middenweg”. De belangrijkste aspecten van deze middenweg zijn het uitbannen van alle materiële verlangens, het zich ethisch gedragen, en het ontwikkelen van de geest. Hoewel het in India zelf geleidelijk verdwenen is, heeft het boeddhisme zich over andere delen van Azië verspreid. Het heeft een belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis van Zuidoost- en Oost-Azië en op de ontwikkeling van de cultuur en samenleving in die gebieden. Recenter heeft het in het Westen (Europa, Noord-Amerika) aanhang gevonden. Tegenwoordig telt het boeddhisme wereldwijd ongeveer 415 miljoen aanhangers.

Boeddha

Gautama Boeddha leefde van circa 450 tot circa 370 v. Chr. in gebied dat tegenwoordig in het noorden van India en Nepal valt. Gautama Boeddha zou tachtig jaar oud zijn geworden.

In de Tripitaka staat geen complete biografie van Gautama Boeddha. Wel staan er her en der korte teksten in de Tripitaka die iets vertellen over het leven van de Boeddha. Pas in de 1e of 2e eeuw werd de “Handelingen van de Boeddha” geschreven door Ashvagosa.

Koningin Maya, van het volk der Sakhya’s, was zwanger. Wijze mannen bezochten haar en vertelden haar dat ze zwanger was van een goddelijke zoon, die of een groot heerser, of een grote geestelijke leraar, een asceet, zou worden. Maya stierf een week na de geboorte van die zoon, Siddhartha Gautama, in het kraambed. Haar echtgenoot, koning Suddhodhana, was vastbesloten dat zijn zoon hem ooit zou opvolgen, en geen asceet zou worden. Daarom voedde hij de jonge prins op in de beschermde omgeving van het koninklijk paleis, en zag hij erop toe dat hij niet met de buitenwereld in contact kwam. Siddhartha leidde zodoende weliswaar een leven van luxe en plezier, maar hij was niet gelukkig.

Hij trouwde met zijn nicht, en werd vader van een zoon. Op een dag verliet Siddhartha het paleis om een tochtje te gaan maken. Tijdens dat uitstapje zag hij vier mannen: een oude man, een zieke man, een dode man en een asceet, die zelf niets bezat, maar leefde van voedsel en geld dat hem geschonken werd. Niettemin zag hij er gelukkig uit. Siddhartha zag plotseling dat niets in het leven bestendig is, en besloot het voorbeeld van de asceet te volgen. Hij vertrok diezelfde avond nog uit het paleis, om de verlossing uit het lijden en de kringloop van het bestaan te vinden.

Hij sloot zich aan bij vijf asceten die zich in de wildernis hadden afgezonderd. Ze volgden een strenge ascese, in de hoop zo de verlossing uit het lijden te bereiken. Siddharta volgde hun voorbeeld, en gaf zich over aan de extreemste vormen van ascese. Zes jaar later, toen hij bijna doodging van de honger, zag hij in dat dit niet de juiste manier was om de verlossing te bereiken. Hij trok daarom verder, en nam voedsel aan om weer op krachten te komen. Hij herinnerde zich hoe hij als kind in een staat van samadhi was geraakt toen hij een keer naar het ploegen van zijn vader had zitten kijken. Toen hij weer op krachten was besloot hij onder een boom te mediteren, en er niet onder vandaan te komen voordat hij de verlossing had bereikt. Op de negenenveertigste dag kreeg hij inzicht in zijn vorige levens, en zekerheid over de oorzaken van het lijden van de mens en hoe dat lijden kan worden weggenomen. Hierdoor was hij een ontwaakt persoon, de Boeddha.

De rest van zijn leven trok hij door India, onderwijzend wat hij had geleerd. Zijn eerste volgelingen waren de vijf asceten. Ook zijn familie nam zijn leer aan, en zijn tante werd de eerste boeddhistische non.

Op tachtigjarige leeftijd wist hij dat hij zou sterven. Ook zou hij niet opnieuw worden geboren, zelfs niet in de hemel, omdat hij nu verlicht was en nu voor altijd in het pari-nibbana opging. Toen men hem vroeg wie hem op moest volgen, vertelde hij dat er geen opvolger moest komen, maar dat zijn lessen bewaard moesten blijven.